ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

F. Weinreb — De Bijbel als Schepping


 

4. HET WOORD DRAAGT HET LEVEN DOOR DE TIJD 

 

            Voordat de oude wereld vergaat, als God besloten heeft aan de wereld vóór de ondergang nog 120 jaar te geven, geeft hij aan Noach de weg aan hoe in de nieuwe wereld te komen (Gen. 6:5-22). 

            God duidt Noach aan een ark te maken, geeft hem daarvan zelfs voor de wijze van bouwen allerlei details, geeft ook de maten ervan. Die opdracht om de ark te maken komt, zoals de overlevering vertelt op een tijdstip waar God ziet, dat de mens steeds sterker tendeert naar de aarde, en wel 120 jaar vóór de grote "vloed". Deze aanwijzing van God dan al met bouwen te beginnen, is er opdat de mensen zouden kunnen zien wat Noach deed en hem zouden kunnen vragen waarom hij dat deed, waartoe dat diende, die ark temidden van het land, op het droge. 

            De 120 jaar zijn in het oude weten de maat van ieder individueel leven in de tijd van deze wereld. Ieder individueel leven duurt "in principe" 120 jaar. Zoals een oneindig lange tijd gemeten wordt met het getal 400 en zoals een alles omvattende veelvuldigheid in het menselijke uitgedrukt wordt met 70. Wij zagen reeds hoe de 130 de maat was van de "een-wording", dus reeds voorbij de 120, al in een andere wereld uitdrukking vindend.   

            De ark wordt dus óók gebouwd vanaf de geboorte van ieder individueel mens, opdat ieder mens gedurende zijn hele leven Noach aan de ark zou kunnen zien bouwen, om dan te vragen naar de zin ervan.   

            Een langer leven dan die als wezenlijke maat hem toegemeten 120 jaar zou de mens te sterk doen neigen naar de aardse krachten, naar het aardse lichaam in zijn ontwikkeling; het "kwaad", de ontwikkeling van de oorsprong vandaan zou de mens te veel aantrekken en hem aan zijn bestemming onttrekken.  

            Deze 120 jaar, in een andere "geschiedenis" spelende, kunnen niet vergeleken worden met de leeftijden van de eerste tien geslachten en ook niet met die van de nu komende vijf geslachten. Slechts Mozes, de opschrijver van de Pentateuch, heeft deze 120 jaar als maat voor zijn leven. Men moet deze 120 jaar dus zien als een absolute maatstaf voor het leven van de mens op aarde. 

            Zij stellen een inperking voor t.o.v. de 130 jaar welke de brug naar een andere wereld reeds hebben overschreden. En deze beperking vindt plaats opdat de dood het leven van de mens ombuige, het de kromming gevende in zijn gang door de werelden welke terug voert naar de oorsprong. Zou de mens voorbij deze "120" komen, hij zou door de aantrekking van de krachten der ontwikkeling verloren gaan voor een terugkeer. 

            Wat is nu die ark welke Noach en de zijnen, tezamen met representanten van alles wat leefde, over zou dragen naar een andere, naar een nieuwe wereld?  

            De wereld die nu zal ondergaan is die van de zesde honderd van de tijd van Noach, van de zesde dag dus weer, nu in de uitdrukking van deze toldoth, en de ark zal Noach doen over gaan naar het leven in zijn zevende honderd, naar de zevende dag dus. Het verhaal vertelt nu hoe de overgang is van de zesde naar de zevende, uitgedrukt in deze "geschiedenis".  

            Ark is in het Hebreeuws "teba", geschreven taf-beth-hee, dus 400-2-5. "Teba" betekent ook "woord".  

            De maten van de ark zijn 300 ellen in de lengte, 50 in de breedte en 30 in de hoogte. In letters geschreven, zijn deze getallen dus resp. shin (= 300), noen (= 50) en lamed (= 30). Deze drie letters vormen nu ook de componenten van het woord "lashon", hetwelk "taal" betekent. "Lashon" wordt n1. geschreven lamed-shin-noen, dus 30-300-50. Het zijn dus de maten van de ark, welke zelf "woord" betekent, die de uitdrukking "taal" vormen.  

            Wij hebben hier dus weer iets zeer merkwaardigs gevonden. Iets, dat leven uit de ene wereld naar de andere wereld moet overdragen, heet zelf "woord" en er worden maten van gegeven, welke het woord "taal" vormen.   

            En het is niet moeilijk de zin te vinden van wat de Bijbel hiermede vertelt. De zin is dat datgene dat leven overdraagt van de ene wereld naar de andere, het woord en de taal is. Is de Bijbel zelf dan niet al datgene? Hij is immers "woord" en "taal". Draagt hij dus met het woord en met de taal het leven van de ene wereld over naar de andere?  

            Het leven wordt dus, zoals het verhaal nu vertelt, ingepakt in het woord, dat de maatstaven van "taal" heeft, het blijft daarin bewaard tijdens de overgang van de ene wereld naar de andere, en het wordt weer tot leven op aarde gemaakt in de nieuwe wereld.  

            Dit overgaan van het leven van de ene wereld naar de andere is dus, als wij het uitdrukken in beelden en vormen van deze wereld, alsof men iets brengt in een schip en terwijl al het andere eromheen door het water wordt bedekt en vergaat als individualiteit, blijft datgene dat in het schip is gebracht, bestaan. In die zin drukte God dan ook in de tijd en de ruimte van deze wereld het patroon af van het gaan van de mens en van het andere leven op aarde, van de ene wereld naar de andere, in dat stadium, als de eerste "tien" van de 10-5-6-5 is gepasseerd.  

            Doch de Bijbel geeft dit beeld op een dusdanige wijze, zó uitgedrukt in het woord, dat men daardoor zien kan hoe in wezen die overgang plaats vindt en waarom die overgang plaats vindt.  

            De aantrekking van de krachten van de ontwikkeling op de mens is zó groot dat alles waarin deze krachten de heerschappij hebben gekregen, zijn individualiteit in deze wereld verliest. Alles wordt bedekt door het water, onzichtbaar gemaakt, gedood als zelfstandig wezen.  

            De mens echter welke zich niet had overgeleverd aan deze krachten, doch die gebouwd had aan het woord gedurende zijn gehele leven, gebouwd met de maatstaven welke God hem had gegeven, omdat hij wist dat de zin van het leven is het verbinding zoeken met de oorsprong, het terugkeren daarheen waar de tegenstellingen in harmonie verkeren, deze mens zal met de zijnen behouden blijven en naar een andere wereld overgaan. De brug, welke deze en die andere wereld verbindt, is de "teba", het "woord", en die "teba" heeft de maten van de "taal", van de "tong".  

            Op deze wijze gaat het leven over en op deze wijze, via het woord en via de taal, kunnen wij het volgen en ermee verbonden blijven. Het verhaal vertelt hier dus hoe die overgang plaats vindt en hoe men vanuit deze wereld deze overgang, met behulp dus van het woord, kan volgen. 

            Het Hebreeuwse woord voor "zondvloed" is "maboel", mem-beth-waw-lamed, dus 40-2-6-30. Het houdt o.a. in "vermenging", in de zin van een ongeordend, verwarrend dooreen gegooid zijn. Het woord "Babel" houdt er verband mee.   

            Deze vermenging geschiedt doordat de wateren van beneden en die van boven beide buiten hun grenzen treden en zich gaan vermengen. De tweede scheppingsdag had God de scheiding gemaakt tussen de wateren van beneden, die de aarde werden, en de wateren boven, welke de hemel werden. Door die scheiding werd het individuele leven in de derde en volgende dagen mogelijk. Met dit "maboel" echter, wordt die scheiding weer opgeheven en daarmede wordt het individuele leven, zoals zich dat kon uiten, tevens teniet gedaan.  

            Het is een hernemen door de "een" van zijn ongescheiden toestand aan de linkerzijde van de systematiek, aan de waterzijde. Daarbij verliest alles wat juist bestond door het feit van de twee-heid de basis van zijn bestaan. Het wordt eenvoudig-weg uitgewist uit zijn bestaan.  

            Ik wil hier wijzen op een dergelijke situatie bij het vergaan van de Egyptenaren in het water dat ze bedekte, terwijl het Bijbelse Israel, evenals Noach, door het water heen komt. Ook Mozes kwam in een "teba" en bleef daardoor behouden in het water. En het overgaan naar het beloofde land, naar de komende wereld met Jozua, geschiedt door het water dat een doorgang doet ontstaan, door de "Jordaan".  

            Het water, in het Hebreeuws, zoals wij reeds hebben besproken, "majim", mem-jod-mem, dus 40-10-40, heeft de structuur van de "mem" welke letter de naam heeft van "water". Mem is dus het vloeiende, bewegende. Water en de mem geven daarmede ook aan het begrip van "tijd", welke eveneens vloeiend is en welke eveneens, juist door zijn steeds onherroepelijke verdergaan, de individualiteit van het moment uitwist. Verdrinken in het water en verdrinken in de tijd zijn in principe hetzelfde. De bewegende "mem" drukt het vloeien, de continue stroom uit.  

            Daarom wordt tijd ook steeds met deze mem, de 40 of met de 400 gemeten. Het verband tussen tijd en water, zou men kunnen zeggen, bestaat door de "mem", de 40. De tijd wordt gemeten door de mem, door het water dus.   

            Het oud-Hebreeuwse teken voor de mem is dan ook  een teken dus van de golfbeweging. Deze golfbeweging drukt zich materieel uit in het water, doch iedere verschijning in de tijd uit zich eveneens, materieel waargenomen, als een golfbeweging. Men denke slechts aan de geluids- en lichtgolven. 

            Van dit oude  teken voor "mem" kwam ook uiteindelijk via het Griekse schrift, onze M tevoorschijn. Met "mem", bedoelt men dus het woord "water" en het oude teken voor "mem" geeft dan ook het beeld van water.   

            Zo zagen wij ook dat deze wereld, in haar tot stand komen in de vorm, gebaseerd werd op de "ed", de "damp", dat het principe "water" er moest zijn om deze wereld mogelijk te maken zich in de vorm van tijd en ruimte uit te drukken. Dit komt uit het tweede scheppingsverhaal, zoals wij reeds uitvoerig bespraken, duidelijk naar voren. Deze wereld noemden wij dan ook daarom, omdat het water in de systematiek van de opbouw op de tweede dag, dus op links, verschijnt, de linker-wereld of de op water gebouwde wereld.  

            Het gaan door deze wereld is dan ook als een gaan door het water, en daarmede dus ook, - men denke steeds aan de mem, de 40, als maat voor de tijd, - een gaan door de tijd.  

            En om niet in het water en in de tijd te verdrinken, is door God gegeven de "teba", het "woord", dat ons als een schip door het water heen voert en waarbij wij onze persoonlijkheid kunnen behouden. Of wel, God laat het water opdrogen, de tijd ophouden, om de mens als persoonlijkheid te kunnen laten voortbestaan. Men denke aan de overgang door de zee na de uittocht uit Egypte of aan de overgang door de droog-vallende Jordaan bij de intocht in Kanaän (Jozua 3).  

            Het zich bewegen door deze zevende dag is dus als geheel een zich bewegen door de tijd, en daarmede tevens een zich bewegen door het water. Daarom is de tocht door de woestijn een tocht van de 40 jaar, van het getal mem dus, en daarom heeft Noach de "teba", het "woord", om door het water heen te komen. Daarom is het water in de woestijn de grote voorwaarde en heeft Mozes tijdens deze tocht van de 40 jaar steeds met water te doen. Is zelfs zijn niet-komen in Kanaän een gevolg van dit "water".   

            Men kan dus zeggen dat de mens zich door deze zevende dag beweegt als een schip door het water, indien hij tenminste het "woord" kent. En dat hij kans loopt te vergaan in het water, indien hij het woord niet heeft. Het woord, dat hem bewaren kan voor het verloren gaan in de massa, in de veelheid. Wij zagen hoe de uittocht uit Egypte werd getypeerd door het begin van de zevende "honderdduizend" in de telling van het volk, en hoe ook bij Noach bij zijn uittocht uit zijn wereld juist zijn zevende "honderd" begint. Het is hier niet de plaats om nader in te gaan op het feit dat daar aantallen in de massa en hier aantallen in de tijd worden genomen, evenmin om in te gaan op het verschil dat er is als nu eens in honderden, dan in duizendtallen wordt gerekend. Voor ons doel, een inleiding te geven in het denken en zien van de Bijbel, behoeven deze nuances geen rol te spelen. Wij zouden dan teveel moeten ingaan op details welke dit boek te omvangrijk zouden doen worden.  

            De mens beweegt zich dus door deze zevende dag als in een schip, wil hij de andere kant van die dag bereiken. Dit schip is het "woord", dat God aan Noach gaf, dat hij hem liet bouwen gedurende deze 120 j aar.  

            Het oud-Hebreeuwse teken van de "zajin", de "zeven" is dan ook  

            Het is de uitbeelding van een schip, met de roeispaan, om zich te bewegen. Ook in dit geval is dit teken overgegaan, via het Grieks, in het moderne alphabet. Het is het teken voor de Z (van Zajin dus). Vele tekens werden in spiegelschrift overgebracht, en zo is ook de Z omgekeerd bij ons terecht gekomen. 

            Wij zien dus hoe zelfs ook de tekens voor de letters deze inzichten uitdrukken. Voor ons is een M of een Z een nuttig iets, wij kunnen woorden erdoor vormen al naar onze wens is. Wij trachten zelfs taal en schrijfwijze efficiënt te maken, opdat wij zo veel mogelijk en zo gemakkelijk mogelijk van deze wereld kunnen genieten. Daardoor hebben wij ieder contact via de taal met het wezen der dingen volkomen verloren.  

            De "ark" brengt dus de mens door deze over-vloed van tijd heen, geleidt hem door die wereld waarin alles vergaat door deze uitbarsting van tijd. Een uitbarsting welke iedere individualiteit doet ophouden te bestaan. Een explosie doordat zowel van boven als van beneden een dusdanige veelheid wordt gecreëerd, dat de persoon wel moet ondergaan in die massa.   

            Het toont ook hoe het lichaam, als het in dit leven is getreden, tenslotte zal vergaan als men zèlf de weg gaat van het nemen der dochteren van de mensen. En dat alleen Noach, temidden van zulk een wereld levend, zich zelf blijft omdat hij gedurende dat leven aan de "teba", aan het "woord" bouwde. Volgens de maatstaven welke God hem gaf.  43)   

            Noach was op het moment dat de vloed kwam 600 jaar. De 120 jaar dus, waarin hij aan de "teba" bouwde, zijn tegenover de 480 vóór die tijd weer als de "één" tegenover de "vier". In die "één" juist bouwt men het woord, verstaat men de taal. Die "één" is immers de boom des levens, de uitdrukking van de Bijbel, tegenover de "vier" van de boom der kennis, van de boom die vrucht maakt. Wéér dus zien wij de verhouding 1-4 optreden en weer vertelt zij datgene wat de principiële structuur van de schepping is.   

            In de ark komen Noach en zijn drie zonen, alle met hun vrouwen. Er is dus een vier-heid aanwezig, - men kan zeggen, de verste mogelijkheid, - en die vier-heid is twee-zijdig, is mannelijk en vrouwelijk.   

            Ook van alle levende wezens komen de mannelijke en vrouwelijke zijde in de "teba". Het woord bevat van alles de twee tegengestelde kanten. In het woord blijven zij gescheiden, als twee-heid komen zij in het woord.  

            De ark heeft ook de drie delen waaruit het woord is opgebouwd en waaruit ook de zin is opgebouwd. De drie letters van het woord vormen de stam, de drie delen van de zin maken deze tot een geheel. Zoals ook trouwens iedere redenering de twee delen in zich heeft, door de synthese tot een zinvol geheel verenigd. En zoals de schepping is opgebouwd met de cyclus van de drie dagen.    

            Van de "teba" wordt verder verteld dat zij "tot een el van boven af" zou worden afgewerkt (Gen. 6:16). Deze uitdrukking is, zeker in vertaling, op het eerste gezicht niet zo duidelijk. Zij betekent echter, - en de overlevering bevestigt het uiteraard, - dat de ark naar boven toe spits toeliep, en dat het bovenvlak één el in lengte en breedte mat. Dat wil dus zeggen dat de "teba" de vorm heeft van een afgeknotte pyramide. De bovenste "steen" is "met opzet" weggelaten.  

            Hoewel ik hier niet kan ingaan op de oud-Egyptische kennis van het leven, is het misschien toch wel interessant op dit aspect van de pyramide te wijzen. De "ark" is de vorm waarin het leven van de ene wereld naar de andere overgaat. De pyramide, met dezelfde structuur als de ark was ook bedoeld voor een overgang van zeer bijzondere mensen van de ene wereld naar de andere. Ook het schip, dat in andere Egyptische uitingen wordt gebruikt als wijze van overgang van het ene naar het andere leven, wijst in die richting.  

            De ark bergt met haar afmetingen als pyramide vele hoogst wonderbaarlijke mededelingen, uitgedrukt in de getallen van de afmetingen. Zij laat daarmee zien dat zij inderdaad is het woord en de taal van de Bijbel, in al zijn facetten. Daar het ons echter weer te ver zou voeren op andere gebieden, moet ik dit bijzonder interessante onderwerp laten rusten.  

            Daarentegen wil ik hier wel ingaan op de gedragingen van deze ark gedurende de vloed. Ook daarmede zal heel veel van het karakter van de ark naar voren komen. En dan zijn wij tevens weer op de weg welke ons verhaal volgt, komen wij dus dingen tegen die wij al meer of minder kennen.  

            Het verhaal van de vloed, van het "maboel" dus, is voor de lezer een nogal verwarrend en wat vreemd verhaal, met allerlei data, waterhoogten, e.d. Laten wij trachten ook dit verhaal serieus te bekijken en de mededelingen niet meteen terzijde te schuiven als afkomstig van een primitieve uitdrukkingswijze over een overstroming in het oude Babel.  

            Het verhaal komt: er nu hierop neer dat de vloed komt, "na zeven dagen" en dat hij dan in eerste instantie 40 dagen duurt. Het begin van die 40 dagen valt op de l7e van de tweede maand, (Gen. 7 en 8).   

            Ik moet hier toch weer even onderbreken. Die 17e van de tweede maand moest ons eigenlijk als mededeling intrigeren. Waartoe deze specificatie?   

            Toch is er met die 17e wel degelijk iets bijzonders aan de hand. Want als wij even nader kijken, dan zien wij hoe de vloed zelve plaats vindt in het jaar 1656, dus in de 17e honderd sedert de schepping, gerekend dan met de Bijbelse maatstaven. Verder zien wij b.v. dat Jozef wordt verkocht naar Egypte (Gen. 37:2) toen hij zeventien jaar was. Het "gouden kalf" werd, - men kan dit uit de tekst berekenen, daar het 40 dagen na de openbaring valt, - gemaakt op de 17e van de vierde maand. Volgens de overlevering was Mozes, toen hij uit Egypte vluchtte, zeventien j aar.  

            Er is dus wel degelijk iets aan de hand met dat getal "zeventien". Het wordt steeds gebruikt als een wereld, een periode ten einde gaat, en een nieuwe gaat beginnen. Want overal waar wij die "zeventien" tegenkomen komt er een einde aan iets, en dan schijnt het allemaal erg bitter en hard, en komt er een nieuwe toestand. De zondvloed is een harde zaak, de verkoop van Jozef idem. Zo ook het moeten vluchten van Mozes uit Egypte, waar hij als prins werd opgevoed. Bij het gouden kalf werden de "stenen tafelen" verbrijzeld en breekt dus ook een wereld. Maar steeds weer zien wij, hoe na die bittere ondergang er toch een heel goede nieuwe wereld komt. Na de zondvloed komen Abraham en de andere aartsvaders. Het blijkt allemaal zeer ten goede te komen. Als Jozef in Egypte komt, blijkt dat alles eveneens zeer ten goede te zijn; hij wordt er koning, verzorgt de zijnen. Vervuld werd wat komen zou en het werd zeer goed vervuld. Doordat Mozes uit Egypte moest vluchten, kwam hij aan de Horeb en ontmoette daar God. En de gebroken tafelen luidden weliswaar een ballingschap in, doch met een des te grootser verlossing. De "zeventien" geeft wel een einde aan, en dat is hard, doch er komt een nieuwe wereld die grootser is dan de voorgaande.  

            Nu komt dit getal "zeventien" ook voor in het eerste scheppingsverhaal, en wel daar waar ook in dit scheppingsverhaal de ene toestand ophoudt en een nieuwe begint. Het getal "zeventien" is er reeds daar om het principe van de overgang te markeren. En dáárom dan ook komt het in het patroon steeds naar voren als er weer een overgang plaats vindt. Dat getal "zeventien" in het eerste scheppingsverhaal is nl. het woord "goed" dat steeds voorkomt, als de ene scheppingsdag eindigt, en God een nieuwe dag zal gaan maken; als er dus in de Bijbel staat "en God zag dat het "goed" was".   

            Immers, het woord "goed" is in het Hebreeuws "tob", geschreven teth-waw-beth, dus 9-6-2. De totale waarde der componenten is dus 9 + 6 + 2 = 17. In getallen staat er dan: "en God zag dat het 17" was". Ook in het eerste scheppingsverhaal eindigt iedere dag een wereld met "17" en begint er daarna een nieuwe.   

            Maar tevens weten wij hieruit, dat God zulk een einde gezien van het gehele scheppingsplan, "goed" noemt. Daar waar dus zulk een overgang voorkomt, die in het verhaal zich eerst blijkt te uiten als een zeer bittere, harde, trieste, overgang, en waar dan toch deze "zeventien" een rol speelt, kan men derhalve weten, dat het, vanuit het scheppingsplan gezien, vanuit het doel van het hervinden van de oorsprong, toch "goed" is. Zoals het verhaal, als men het verder leest, dan ook aantoont. Alleen voor degene die slechts het moment kent, die dus leeft van de "boom die vrucht maakt", is het een trieste zaak. Hij ziet alleen de ondergang, en hij weet niets van een komende wereld. Hij kent niet het "woord", en daarom ook niet dat woord "goed", dat deze overgang een "waarde" geeft, een betekenis, een zin.  

            Voor hem die de boom des levens kent, die er niet van is afgesneden doordat hij van de boom der kennis nam en de weg terug niet wilde gaan, is die overgang inderdaad er een die door het teken "goed" wordt weergegeven. Alleen wie die boom der kennis nam, zal die overgang als een lijden en een ondergang zien.   

            Het einde van de zesde scheppingsdag wordt gemarkeerd met de woorden "zeer goed", de woorden "tob meod". Ik wees er al op, dat het woord "zeer", "meod", geschreven is als 40-1-4, en dat het in structuur verwantschap vertoont met het woord "dood", dat 40-6-400 is. Het woord "meth", 40-400, hetwelk wij ook zagen als "dood" wordt meer gebruikt voor iets dat dood is, terwijl het woord 40-6-400, "maweth" gebruikt wordt voor de dood zelf.  

            Die woorden "zeer goed" worden, zoals ook reeds gememoreerd, dan ook in een overlevering gelezen als "de dood is goed", daarbij dus wijzende op die overgang van de zesde wereld naar de zevende, welke via de dood gaat, en die toch goed is. Zo is ook het zondvloed-verhaal deze overgang van de zesde naar de zevende dag, zich hier uitdrukkende in de leeftijd van Noach die net 600 is als de vloed gaat beginnen, en die dus net de zevende honderd ingaat. En die overgang is ook een "dood". Maar hier zien wij hoe Noach en de zijnen in wezen toch blijven leven, juist doordat Noach gebouwd had aan de ark, aan het "woord", met de maatstaven die God hem had gegeven. En daardoor gaat hij "levend" over van de ene wereld naar de andere, is de overgang toch "zeer goed", daar waar hij eigenlijk ook is, "de dood is goed". En die overgang wordt dan ook gemarkeerd door het getal 17, hij vangt aan op de l7e van de tweede maand.   

            Zo begint dus de vloed, het "maboel" in dit teken van de "zeventien", zowel wat eeuw betreft als wat dag in de maand betreft.   

            Wij zien dan, dat er vanaf deze 17e van de tweede maand, gedurende 40 dagen regen is. Dit is, volgens de maand-rekening, zoals de Bijbel die toepast, tot de 28e van de derde maand.   

            Daarna hadden de wateren "de overhand" over de aarde 150 dagen lang. En na verloop van die 150 dagen namen de wateren af. In de zevende maand nadat de "vloed" was begonnen, - de vloed had al geduurd 40 dagen plus 150 dagen, en dan is men dus al in de zevende maand na het begin - op de l7e weer van die maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte Ararat.   

            Daar de vloed in de tweede maand was begonnen, is het dus dan voor het jaar de negende maand.   

            De maanden worden gerekend, zoals de Bijbel die neemt, als maan-maanden van 29½ dag.    

            Vóór het begin van de vloed vermeldt de Bijbel dat God nog zeven dagen wachtte (Gen. 7:4). Een van de verklaringen hiervoor is, dat God na de 120 jaar nog eens zeven dagen wachtte, om te zien of de mensen niet toch zouden terugkeren van hun aanbidding van de veelheid. God had immers Noach gedurende die 120 jaar aan de "teba" laten bouwen, aan het "woord" dat met zijn maatstaven van de hemel als een geschenk aan de wereld was gegeven, opdat de mensen het zouden zien en zich erover verbazen.  

            Dan zouden zij vragen en uit dit vragen en antwoorden zouden zij wellicht inzien dat de weg welke zij waren gegaan tot nu toe, onjuist was, dat die weg niet in de bedoeling van de schepping lag. De mens zou, als wezen in Gods evenbeeld de weg zelf moeten kiezen, uit zichzelf de genegenheid moeten opbrengen tegenover God om de weg te kiezen die tot hem voerde. Alleen op dit punt was de beslissing bij de mens. Al het verdere was door God klaar gemaakt in zijn plan om alles weer met de oorsprong te verenigen. Om "het hart der vaderen terug te voeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen" (Maleachi 4:6).   

            Noach wees de mensen, - volgens de overlevering, - op het komende einde van de mens. Het leven van de mens zou niet langer dan 120 jaar duren, de tijd van dit leven dus. En wat dan?   

            Noach wees hen erop hoe men daarna met zijn volle individualiteit over dit leven heen zou voortleven als men dit "woord" met zijn goddelijke maten als zijn huis zou beschouwen.   

            Doch de wereld lachte hem uit. In de eerste plaats wilden zij niet horen van een einde. Dat bestond niet in hun levens-codex, het was gewoonweg een onwelvoeglijk woord. Zoals zij niet wilden horen over een individuele dood, zo wilden zij niet geloven aan de ondergang van een tijd, laat staan van een gehele wereld.    

            Zij wilden niet weten van de ondergang van het individu in de veelheid van de massa, in de "steden"-cultuur van Kaïn’s wereld, en zij bouwden er rustig aan verder, hoewel zij anderzijds alles heel goed konden waarnemen. En zo wilden zij ook niet weten van het einde van een hele tijd, waarin een hele tijd verloren gaat, ondergedompeld wordt in vergetelheid. En met haar een hele wereld.  

            De overlevering vertelt ook hoe juist vlak voor deze laatste zeven dagen, Methusalah was gestorven. Hij was de 8e na Adam, en, als alles wat met de "acht" is getekend, met de "vetheid" van de "acht", leefde hij het langste van alle mensen. Men had gezien dus, hoe deze rijke "vette" wereld van Methusalah was vergaan, hoe dus inderdaad een einde bestond aan die ontplooiing in veelheid. Met de dood van Methusalah waren de 120 jaar om. Toch gaf God nu nog de zeven dagen, waarin men treurde om dat heengaan van Methusalah, naast Noach de laatst overgeblevene van de tien geslachten. De schok van het weggaan van Methusalah zou de mensen misschien toch doen terugkeren, toch doen vragen naar de zin van het leven, zich toch doen wenden tot Noach.  

            Doch ook nu geloofde men het niet. Men kon het niet geloven, het lag buiten datgene waarover men steeds had gedacht en waarmee men zich steeds had bezig gehouden.   

            En toen men op al deze aanwijzingen van het einde niet had willen letten, werd de weg na deze zeven dagen afgesneden van de "teba". Toen zij het einde zelf ondervonden en de wereld zagen vergaan, wilden, volgens de overlevering, velen nu alsnog in de "teba" vluchten. Doch de weg was nu afgesneden, "dieren" hadden de toegang versperd. Dat waarmee men zelf steeds verkeerd had gehandeld, de wereld van de krachten der ontwikkeling hield nu de weg naar het woord en naar het behoud versperd. 44)  

            Deze zeven dagen zijn als een voor-periode van de vloed speciaal daarom met die nadruk genoemd.  

            Tot op het moment dat de teba op de Ararat rust, zijn er dus vier, fasen:

 

1.          de zeven dagen vóór het Maboel, waarin men reeds wist, dat het einde zou  komen

2.          de 40 dagen, van de 17/II - 28/III

3.          de 150 dagen, van de 28/III – 1/IX

4.         de 16 dagen, waarin het water begint af te nemen, tot dat de teba op de Ararat  rust, I/IX ‑ 17/IX. 

            Op de l7e van de 9e maand raakt de ark, door het afnemen gedurende reeds 16 dagen van het water, de berg Ararat. Aan het einde van deze 4e phase is er dus weer contact met de aarde, met iets individueels. Terwijl voordien alles bedekt was, verborgen was, door het water.  

            Het water neemt nu verder af, ook dus nadat de ark op de 17/IX op de Ararat vastzit, en zodoende worden op de 1e van de tiende maand (Gen. 8:5), de toppen van de bergen zichtbaar.  

            Deze "tiende maand" is niet de tiende kalendermaand, doch de tiende maand na het begin van de vloed. En daar deze in de tweede maand begon, is het dus volgens de kalender de 1e van de elfde maand. De periode van het vast komen van de ark op de Ararat tot het zichtbaar worden van de berg is dus

5.          17/IX ‑ l/XI.  

            De Bijbel vertelde dat op het hoogste punt van de vloed het water 15 "ellen" boven de "hoge bergen" was gestegen, (Gen. 7:20). Toen op de le van de elfde maand deze bergen zichtbaar werden, was het water dus reeds gedurende 60 dagen gedaald; vanaf de I/IX tot en met de l/XI. In deze 60 dagen is het water dus 15 ellen gedaald. De 15 ellen die het water boven de bergen stond waren in deze 60 dagen weggenomen.  

            Weer zien wij dus een ons al bekende verhouding. In 60 dagen, 15 ellen; in 4 dagen dus 1 el. Het is weer de verhouding 4-1 welke zich hier eveneens blijkt uit te drukken.  

            En het woord zelf voor "el", het woord "ama" geschreven 1-40-5, waarbij de 5 weer alleen de vrouwelijke uitgang aangeeft, heeft dus eveneens deze 1-4 in de structuur. Dus datgene dat meet, dat als maatstaf wordt gebruikt, is zelf getekend met deze 1-4.   

            Uit deze maten die de Bijbel ons geeft, kunnen wij verschillende andere verhoudingen vinden.  

            Want als dus het water weggaat met een verhouding van 1 el in 4 dagen - dwingt overigens niet het geheel om die "el" ook al anders te zien dan de el van ons gezichtsbeeld? - dan betekent dat, dat toen na 16 dagen zakken van het water de ark reeds de berg Ararat bereikte, het water in die 16 dagen met 4 el moet zijn gedaald. En dat houdt in dat bij de hoogste waterstand de bodem van de ark slechts 4 el boven de Ararat lag. Daar het water toen echter 15 el boven de bergen stond, betekent het, dat de ark dus 11 el in het water lag. De ark was 30 el hoog. Van die 30 el waren er dus 11 el in het water en 19 el erboven.  

            De toestand was dus als aangegeven in tekening.

            En op het moment dat de ark de Ararat raakte was de toestand als aangegeven in deze tekening  

 

 

 

 

            Nadat de bergen zichtbaar waren geworden, nadat het water dus al gedurende 60 dagen was gezakt, komen als nieuwe tijdsperioden de vermelding van nog 40 dagen, na verloop waarvan Noach het "venster" opende (Gen. 8:6), daarna, na allerlei details over raaf en duif waarop wij nog terugkomen, de mededeling dat in het 60le jaar van Noach, in de eerste maand, op de eerste van die maand, de wateren waren opgedroogd, d.w.z. dat de aarde zelf zichtbaar was, maar nog doordrenkt met het water, (Gen. 8:13). En tenslotte, op de 27e van de tweede maand is de aarde zelf droog, (Gen. 8:14), en wordt de ark verlaten.  

            Laten wij deze mededelingen weer ordenen en in verband brengen met de voorgaande, in de reeds genoemde vijf phasen.  

            De 5e phase eindigde op de 1 /XI. Als nu Noach, na dit zichtbaar worden van de top der bergen, nog 40 dagen wacht, voordat hij het venster opent, dan is de 6e phase dus die van dit wachten, terwijl het water verder zakt. Hoeveel zakt het in die 40 dagen? Dat is dan dus weer 10 el, daar iedere 4 dagen 1 el verlaging voorkomt. Dat is dan, gerekend vanaf de I/XI, 40 dagen, zodat de kalender dan aanwijst 10/XII. 

            Daarna duurt het nog tot de 1/I tot dat de aarde zichtbaar wordt. Dat zijn dan weer 20 dagen.  

            In totaal duurde het dus 40 + 20 dagen tot de aarde zichtbaar werd. In die 60 dagen is het water dus 15 el gezakt, nl. weer 1 el in 4 dagen. Toen het water nog 5 el hoog stond, na de 40 dagen met de 10 el verlaging van de totale 15 el welke het water aan het begin van de 40 dagen stond, opende Noach het "venster", en begon hij raaf en duif uit te zenden.   

            Doch laten wij een en ander weer in een schema wat overzichtelijker maken. Ik begin nu met de 6e phase, na het zichtbaar worden van de bergen. 

6.          Noach wacht 40 dagen na het zichtbaar worden van de bergen 1/XI -  10/ XII.

7. Noach opent het venster en zendt uit

1.         raaf

2.

3.

4.


driemaal de duif

            Deze periode bedraagt 20 dagen, de 21e vond de duif reeds een plaats om te zitten en keerde zij niet meer terug 10/XII – 1/I 

            In de 60 dagen van 1 XI – 1/I, dus vanaf het zichtbaar worden van de toppen der hoge bergen tot het zichtbaar worden van de aarde, daalt het water 15 el. Dat wil zeggen, dat die "hoge bergen" ook 15 el hoog waren. En dat het water dus op het hoogste niveau nog eens zo hoog stond als die hoge bergen; het water was nl. bij de hoogste stand 15 el boven deze bergen. Wij zien hieruit al weer, dat wij de maatstaven die de Bijbel gebruikt niet zo maar blindelings mogen meten met die van onze waarneming. De Bijbel drukt het wezenlijke uit en dan zijn de maten, ook als zij gebruikt worden voor onze wereld, niet die van onze waarneming. 

            Wij zien nu dus dat het water op het hoogste punt 30 el hoog stond, terwijl de hoogste bergen 15 el waren, de helft ervan.  

            En als wij nu de stand van de ark op het hoogtepunt van de vloed in tekening brengen, krijgen wij het volgende beeld. 

            Wij zien nu ineens dat het hele verhaal van de vloed, van het "Maboel", zich afspeelt binnen 49 el. Dat zij dus juist deze hele zevende dag vult, in zijn volledige voltooiing. En de teba was immers juist gegeven om door deze zevende dag heen te komen!  

 

            Wij beseffen nu ook, waarom de pyramide afgeplat is. Die "ontbrekende steen" zou nl. in de 50e steken, en die 50e behoort juist niet meer tot de materiële uitdrukkingswijze die deze wereld van de zevende dag kent. De pyramide had ook in een punt kunnen eindigen op die 30 el hoogte. Doch dan was alles daarmee afgesloten geweest. Nu echter veronderstelt de vorm van de pyramide een voortzetting welke weliswaar onzichtbaar is voor ons, omdat zij in een andere wereld steekt, die echter uitdrukkelijk als voortzetting nu bestaat. Men kan het ook zo uitdrukken, dat de levensvatbaarheid in de ark juist afhangt van deze onzichtbare top. 

            Het bovenstuk, gedetailleerd, ziet er dus schematisch als volgt uit: 

            Wij zien dus in deze totale "hoogte" van het zondvloed-verhaal hoe hier weer duidelijk de ons uit het voorgaande reeds enigszins bekende structuur naar voren komt.  

            Het laat zien dat, bij de intrede in de zevende dag, - de vloed begint immers; zoals reeds gezien, als de zevende honderd van Noach begint, - het verhaal van deze zevende dag al wordt getekend. De nood is het hoogste in die zevende dag, als het water dubbel ver is als de nog vaste, dus niet vloeiende materie. Dan is, met die 30, de 2 x 15 bereikt. Verder dan die twee-maal kan het niet gaan.    

            In het woord scheppen is ook de verste ontwikkeling die in de "twee". Deze houdt immers al het verdere van de veelheid in. Op dat punt is alles verzwolgen door de tijd, door het water. Op dat punt reikt het woord tot aan de top, tot aan de grens van de andere wereld.   

            En op dat punt is de teba 4 el van de vaste materie verwijderd. De gehele 4 van de ontwikkeling, reeds opgesloten in de 2, is dan voltooid. Ook hier dus een grens, ook hier kan het niet verder.   

            Op dat punt van de hoogste nood, het grootste gevaar voor de totale ondergang, ook voor Noach, - de overlevering vertelt er details van, - reikt de teba tot aan de 50e el, raakt het woord om zo te zeggen de andere wereld. 45) 

            En op dat moment, als de "teba" van Noach, zijn woord, tot aan de grens van de andere wereld reikt, als hij God dan in zijn woord tot het uiterste is genaderd, komt het "toen gedacht God Noach", (Gen. 8:1).  

 

            En dan daalt het water en ontstaat er een nieuwe situatie als de "teba" contact krijgt met de hoogste punten van de aarde, van de vaste materie. Het betekent dus ook, dat het "woord" dan weer verbinding krijgt met de niet vloeiende materie. Hoewel alles nog bedekt is door het water, is er, onzichtbaar doch wel voelbaar, dit contact.   

            Deze situatie, als dus het water 4 ellen is gedaald, op de l7e weer van een maand, zeven maanden na het begin van de vloed, is dus identiek met het komen van een nieuwe wereld. Immers, tussen de 17/II en de 17/IX zijn zeven volle maanden verstreken. Met het begin van de 8e maand komt er het contact tussen de "teba" en de vaste materie. Het "woord" daalt nu neer op de "berg", krijgt contact met de wereld. Zoals ook God met het woord op de berg Sinai neerdaalde aan het einde van de zeven weken na de uittocht uit Egypte, aan het begin van de 8e week.   

            Hoe ziet deze situatie er nu uit in onze schematische voorstelling? Er is nu de volgende verandering ingetreden, vergeleken met de situatie, getekend in de voorgaande figuur:

            Wij zien nu weer iets heel bijzonders, hetgeen de "redenering" van het verschijnen van God op de 8e dag en het contact maken van de "teba" met de "berg" nog eens heel speciaal benadrukt.  

            Immers, het water dat nu 4 el was gezakt na zijn hoogste stand op 30 el, heeft nu een hoogte van 26 el. En deze 26 el is in twee delen verdeeld. Het ene deel is de 15 el van de "berg", het andere deel is de 11 el van de "teba", die immers 11 el in het water stak en nu dus net met deze 11 el "diepgang" de berg raakt.   

            En deze 26, verdeeld in 15 en 11, in 10-5 en 6-5, is immers de 26 van de naam Here, zoals wij die nu al enige malen hebben zien verschijnen. Hij verschijnt nu dus ook hier als maat-gever, als uitdrukking van de zin van het geheel.  

            Op het moment, dat de "teba", het "woord", contact maakt met de niet vloeiende materie, met de "berg", op dat moment verschijnt God in zijn hoedanigheid als Here in de maten van de teba en in die van de vloed. En dat is na de zeven volle maanden, als de 8e moet beginnen. 

            Wij zien hier dus uitgedrukt, in de maten, hoe deze naam Here verschijnt, zodra het "woord", met de maat 6-5, de materie met de maat 10-5, bereikt. De 10-5, als "jah", wacht op dit contact met de 6-5, zoals wij reeds uitvoerig hebben besproken. En zodra dit contact is gemaakt is de naam Here vervuld. En dit contact wordt steeds uitgedrukt als een situatie van "na de zevende dag", als een situatie waarmee de achtste dag begint.    

            Deze situatie is ontstaan doordat de ark zich door de vier werelden, de vier ellen, heeft bewogen. Deze weg door de vier ellen is de weg van de zevende dag. De overlevering kent dan ook voor deze zevende dag de 4 Rijken en de 4 Ballingschappen waar door heen de wereld moet gaan om de 8e dag te bereiken. Gedurende de zevende maand in dit zondvloed-verhaal dringt de ark door die vier ellen heen. En zo is de weg gedurende deze zevende wereld-dag ook het gaan door die vier werelden. Gedurende de vloed, en met name gedurende het hoogtepunt van de vloed, werd de ark heen en weer geslingerd en, zoals de overlevering vertelt, alles dreigde ook in de ark te vergaan. Het woord werd zodanig heen en weer bewogen, verloor dusdanig ieder houvast, dat wat het omsloot verkeerde in zulk een onvaste positie, dat God op het uiterste, op het laatste moment de wateren deed terugkeren en kalmeren. Het was de toestand waarop het water de twee-maal had van de maat van de bergen, van de vaste materie, waarbij de twee dus vol was. Doch nu, aan het einde van de zevende maand, wordt de berg geraakt, wordt het contact gemaakt, en hiermede tevens de naam Here als 10-5-6-5 tot eenheid gebracht, nadat hij voordien gescheiden was in de twee delen 10-5 en 6-5 beide gescheiden door deze 4 ellen welke nog af te leggen waren voordat die beide delen weer aan elkaar konden worden verbonden. Het is hier dezelfde situatie van een samenkomen van de 10-5 met de 6-5 tot de volledige naam Here als wij reeds hebben gezien bij de overgang, in het eerste scheppingsverhaal, van de zesde naar de zevende dag.  

            En zo zagen wij dat de hele tijdsduur van de "Vijf Boeken" ook de 10-5 vormde, welke om de verbinding vraagt door het leven verder, met de 6-5. Dit principe houdt eigenlijk het geheim in van de schepping en van het leven. En daarom uit het zich ook op deze plaats, van de "vloed". Want ook hier gaat het erom deze verbinding tot stand te brengen.  

            Er kan nog veel over dit Maboel-verhaal worden gezegd. Ik wil hier echter nog slechts op een enkel facet, verband houdend met het voorgaande, wijzen.  

            Na het zichtbaar worden van de bergen zien wij hoe de periode van 60 dagen wordt onderverdeeld in de 40 dagen "wachten", totdat het venster van de teba wordt geopend en de 20 dagen erna, waarin Noach de raaf en de duif uit de teba zendt. Er is dus weer het punt 2/3, het punt dat de verhouding 2-1 aangeeft als een begin van een nieuwe fase. Gedurende de "twee" is er het wachten, de passiviteit, als de "een" is aangebroken komt de activiteit van Noach. Het venster wordt geopend en maakt het, als dus de "twee" is gepasseerd en de "een" aanvangt, mogelijk om uit de teba naar buiten te zien, om uit het woord in de wereld te kijken, om via het woord het contact met de wereld te krijgen. En als dat contact er is komt ook het zenden van de raaf en de duif.    

            Ik wil in dit verband ook nog wijzen op de samenhang tussen het Hebreeuwse woord voor venster, nl. chalon, 8-30-50, en droom, hetwelk is chalom, 8-30-40. De beide woorden onderscheiden zich dus slechts doordat venster de 50 als uitgang heeft en droom de 40. Bij de droom kan men ook in een andere wereld kijken, doch het zicht is nog omfloerst door de tijd van de 40, van de mem. Bij het venster is er de 50, welke dus het verband met de andere wereld, de achtste dag, legt. Door het venster kan men helder zien, door de droom nog slechts; omfloerst, vertroebeld door de tijd, men ziet het uitgedrukt in verhoudingen van deze wereld waarin men leeft en men kan het slechts moeizaam vertalen. Zodra de 40 echter is geworden tot een 50, uitdrukkende de toestand van de volgende wereld, is er helder en klaar zicht.   

            Noach zendt in dit "een"-deel van deze 60 dagen de raaf en de duif uit. Ik kan hier niet uitvoerig ingaan op de details van dit verhaal. Het zij voldoende aan te duiden dat de raaf, de het eerst gezondene, ook gezien kan worden als uitdrukking van het lichaam en de duif als die van de ziel, welke dus ook als tweede stadium naar de wereld wordt gezonden.  

            De raaf blijft heen en weer vliegen, kan niet tot een boodschap en tot een doel komen. De duif heeft ook in haar uitdrukking in het beeld het typerende dat zij steeds terugkeert tot haar oorsprong. De ziel keert terug en brengt ook de boodschap mee totdat zij ook op deze wereld een vaste plaats heeft gevonden. Daarmede begint dan de nieuwe wereld. Noach neemt de bedekking van de teba weg. De weg naar boven, ook dus tot in de 50e el, is geopend, de verbinding is definitief.   

            De boodschap van de duif bij haar tweede uitzending is het blad van een olijfboom. De olijf is de zesde vrucht in de systematiek der zeven vruchten. De overlevering wijst er op dat het een bittere vrucht is. De ziel, welke de zesde dag bij de schepping van de mens naar de wereld wordt gestuurd weet dat er een bittere, harde weg is. Doch de duif neemt, zoals de overlevering vertelt deze weg met liefde op zich. Want van deze vrucht van de zesde dag wordt tenslotte, nadat zij het proces van drukken en stoten heeft meegemaakt, de olie bereid, de shemen, met het teken dus van achtste dag - men herinnere zich het verband tussen shemen en shmona, acht, - welke olie het teken is van de kroning van de verlosser van de achtste dag, de Messias. De Messias wordt gezalfd met de olie, komende van de vrucht van de zesde dag. Deze boodschap brengt de ziel naar de teba, naar het woord. En na deze boodschap vindt zij dan, bij de derde maal dat zij naar de aarde terugkeert, het is de vierde uitzending na de eerste van de raaf, de vaste plaats; op de aarde; dan is er de definitieve verbinding, welke zich in de teba uit door het wegnemen van de bedekking. 46) 

            Het is dan de 1e van de eerste maand van het nieuwe jaar, het 60le jaar van Noach. Deze dag is de eerste van het nieuwe jaar. Volgens de kalender is dat de dag van de schepping van de mens, de Bijbelse Nieuwjaarsdag. In een ander vlak is het de eerste dag van het nieuwe jaar waarin het Bijbelse Israel uit de tweeheid in Egypte wordt bevrijd om de weg naar de "een", naar Kanaän aan te vangen. De Joodse kalender begint nl. zowel op 1 Tishri, de dag van de schepping van de mens, als ook op 1 Nissan, de dag waarop God aankondigt dat er een nieuwe tijd-rekening wordt ingevoerd door het verlost worden uit de "twee", uit Egypte. Beide vermeldingen hebben dezelfde inhoud; alleen het vlak van verwezenlijking is verschillend. Doch daar beide de mens en de wereld bepalen, worden beide gebruikt. Met 1 Nissan begint men de maanden te tellen, met 1 Tishri de jaren.  

            Noach wacht dan nog 56 dagen in de ark, voordat hij op aanwijzing van God deze verlaat en uittreedt in de wereld. Uit het woord treedt nu het leven uit en verspreidt zich over de wereld, Het is dan de 27e van de tweede maand. In totaal was Noach nu in de ark geweest van de l7e van de tweede maand in het ene jaar tot de 27e van de tweede maand in het volgende jaar. Daar het maan-jaar rekent met maanden van iets meer dan 29½ dag, en in totaal 355 dagen telt, betekent het tien dagen langer dan dat maanjaar in de teba blijven van Noach dat hij er dus precies de dagen van het zon-jaar, 365 dagen dus, in was geweest. Deze tien dagen langer, van de l7e van de tweede maand tot de 27e van de tweede maand betekenen dus dat er een overgang is van een maanjaar-tijdrekening naar een zonjaar-tijdrekening. De maan-tijdrekening houdt verband met het linker-karakter van de wereld, het water-karakter. Dit waterkarakter was nu geëindigd, het water was opgedroogd en een andere wereld begon. Een wereld waarin de niet veranderende zon de tijd-rekening ging bepalen, deze overnam van de steeds veranderende, vloeiende, aan fasen onderworpen maan. De maan die ook steeds verdwijnt om weer opnieuw te verschijnen. De maan die de nacht-wereld typeerde. Zo komt er dus een nieuwe tijdrekening, die welke na het opdrogen van het water niet meer de maan-toestand kent van vloeien, van komen en gaan, van groei en teruggang, doch die rekent met de constante, zich steeds gelijkblijvende zon.  

            Zo vertelde het Maboel-verhaal van de gang van de ene wereld naar de andere, gaf de verhoudingen aan van de wijze waarop die overgang plaats vindt. Het is een overgang welke een bevrijding voorstelt uit een nacht-toestand en het komen in een nieuwe, een dag-toestand. En dit verhaal komt dus voor in het heelal van het woord. Dit heelal leeft en vertelt de zin der dingen, openbaart de weg van de mens tot in alle onderdelen.   

 

 

BRONVERMELDING VAN GEBRUIKTE OVERLEVERINGEN

 44) Dieren versperren toegang: S.J.  

 45) De nood in de teba: M. R. Bereshith 32 : 20; zie ook Rashie op Gen. 7 23,   

 46) De duif en het olijfblad: T.B. Sanhedrin 108b; P.E. 

 

 

 

 

Terug naar de inhoudsopgave

 

Copyright © 2011 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.